Maria en Jozef komen in Betlehem aan. Het is een lange, warme reis geweest. Maria en Jozef zijn moe. Ze willen dolgraag een plekje om te slapen. Maar het is overal vol. Er is nergens een kamer te vinden. Toch is er nog iemand die een plekje heeft. Een soort stal, waar de dieren leven. Daar wordt later in die nacht een jongetje geboren. Ze noemen Hem Jezus. Dat had God gezegd. Maria doet doeken om Jezus heen. Ze legt de kleine Jezus in een lege voerbak.

Diezelfde nacht zijn er herders buiten Betlehem. Ze passen op de schapen. Ineens wordt het heel erg licht. Er staat een engel bij hen. De herders schrikken heel erg. “Wees maar niet bang,” zegt de engel. “Ik breng jullie goed nieuws! Vannacht is er iets geweldigs gebeurd. De Redder is geboren! Ga naar Betlehem. Daar zul je Hem vinden. Hij heeft doeken om zich heen en Hij ligt in een voerbak,” vertelt de engel.

Opeens is de lucht helemaal vol met engelen. Samen zingen ze een prachtig lied. Ze eren en loven God in de hemel. De herders kunnen het bijna niet geloven. Zulke bijzondere dingen hebben ze nog nooit gezien! Dan zijn de engelen weg. De herders denken niet lang na. Ze gaan de baby zoeken! Ze laten de schapen achter. Snel lopen ze naar Betlehem. Daar vinden ze Jozef en Maria. Het kindje Jezus ligt in een voerbak. Net zoals de engel heeft gezegd. Stil en blij eren de herders God. Ze zijn heel blij, dat ze Jezus hebben gezien.